Deze lijst helpt om misverstanden, spanning en onbedoelde schade te voorkomen. De volgorde loopt grofweg van eerste indruk en communicatie naar omgang op de langere termijn.
1. Aannames maken of zeggen: “je ziet er niet autistisch uit”
Autisme is niet zichtbaar. Oordelen op basis van uiterlijk of gedrag doet geen recht aan iemands ervaring en kan kwetsend zijn.
2. Stereotypen gebruiken
Zinnen als “alle mensen met autisme zijn…” kloppen nooit. Autisme verschilt per persoon. Vraag naar voorkeuren in plaats van te veronderstellen.
3. Vage, dubbele of indirecte communicatie
Sarcasme, hints en gezegdes zorgen vaak voor verwarring. Wees duidelijk, concreet en zeg wat je bedoelt.
4. Te snel of te veel praten
Een hoog tempo of lange monologen kunnen overweldigend zijn. Neem pauzes en geef ruimte om informatie te verwerken.
5. Onverwachte aanrakingen
Lichamelijk contact kan stressvol zijn, zeker als het onverwacht is. Vraag altijd eerst of iets oké is.
6. Prikkelgevoeligheid onderschatten
Geluid, licht, drukte en geur kunnen veel impact hebben. Wat voor jou normaal is, kan voor een ander te veel zijn.
7. Sociale druk uitoefenen
Iemand pushen om socialer te zijn werkt averechts. Respecteer grenzen en energielevels.
8. Routines en gewoonten bekritiseren
Structuur geeft vaak rust en houvast. Opmerkingen hierover kunnen onnodige onrust veroorzaken.
9. Ongevraagd advies geven over gedrag
Adviezen als “doe normaal” of “probeer het anders” voelen vaak als afwijzing. Vraag liever hoe je kunt ondersteunen.
10. Praten over genezen of veranderen
Autisme is geen ziekte. Goedbedoelde tips om iemand te veranderen missen vaak het punt. Aansluiten bij wat iemand nodig heeft werkt beter.